Een tweede hielprik is nodig bij een niet-conclusieve uitslag’ uitslag.

Uitvoering tweede hielprik (THPTweede Hielprik )

Een tweede hielprik is nodig ingeval de uitslag niet-conclusief is. Er zijn drie ziektebeelden binnen de hielprikscreening waarbij sprake kan zijn van een niet-conclusieve uitslag, namelijk CH en carnitine transporter (OCTN2) deficiëntie, en AGS.

Bij een niet-conclusieve uitslag is er sprake van een nog niet te interpreteren laboratoriumbevinding, naar aanleiding waarvan een tweede hielprik wordt aangevraagd. Een tweede hielprik (een paar dagen na de eerste hielprik), geeft meer duidelijkheid of er sprake is van een vermoeden op een aandoening, of dat de licht afwijkende bevinding van de eerste hielprik te maken heeft met andere factoren, zoals een vroege hielprikafname, stress of vroeggeboorte van het kind.

Indien de bevinding bij deze tweede hielprik weer niet-conclusief of afwijkend is, wordt het kind verwezen naar een (gespecialiseerde) kinderarts. Ouders krijgen bij een goede uitslag na een tweede hielprik altijd bericht van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

Uitvoering tweede hielprik als het kind verdacht wordt van AGSadrenogenitaal syndroom , CHcongenitale hypothyreoïdie of carnitine transporter (OCTN2Carnitine Transporter ) deficiëntie:

  • De screener verricht een tweede hielprik zo spoedig mogelijk direct nadat het RIVM-DVPDienst Vaccinvoorziening & Preventieprogramma’s het verzoek heeft gedaan.
  • De screener vermeldt op de hielprikkaart de reden voor de THP en verwijst naar de eerdere setcode en/of het labnummer. Deze gegevens ontvangt de screener in een brief van het RIVM-DVP.
  • Bij verdenking op AGS verricht de screener de tweede hielprik binnen de hieronder aangegeven periode (zie toelichting hieronder).
  • Hier vindt u meer informatie over de afkapgrenzen en beslissingscriteria neonatale screening.

Toelichting bij AGS
Anders dan bij de andere ziektes wordt bij AGS de tweede hielprik afgenomen op een tijdstip afhankelijk van de zwangerschapsduur:

  • bij een zwangerschapsduur van meer dan 33 weken:
    op dag 7 - 9 na de eerste hielprik;
     
  • bij een zwangerschapsduur van 33 weken of minder:
    op dag 14 - 16 na de eerste hielprik.

Reden hiervoor is dat de merker 17OHP ook verhoogd kan zijn om andere redenen dan AGS (bijvoorbeeld stress, prematuriteit). Daarom wordt bij mild verhoogde 17OHP-waarden eerst gekeken of de 17OHP na een week spontaan is afgenomen. Bij ernstig prematuren (zwangerschapsduur onder de 33 weken), na twee weken.

Indien gebruik van glucocorticoïden (bijvoorbeeld hydrocortison, predniso(lo)n, dexamethason), dan hielprik pas op dag 7-9 na stop glucocorticoïde.