Enkele dagen na de geboorte wordt bij alle pasgeborenen een hielprik verricht. Hierbij wordt een hielprikkaart gebruikt.

De hielprikkaart bestaat uit:

  • een formulier waarop de persoonsgegevens van de pasgeborenen kunnen worden ingevuld, alsmede enkele andere gegevens die voor de screening van belang zijn, en
  • een stuk filtreerpapier waarop het bloed wordt opgevangen.

Beide delen van de kaart bevatten een identiek, uniek nummer (‘setnummer’) waarvan de eerste twee cijfers overeenkomen met de provinciecode. In het screeningslaboratorium worden voorafgaand aan de laboratoriumbepalingen de beide delen van de kaart gescheiden.

Na afloop van de laboratoriumbepalingen wordt de filtreerpapierstrook, restant hielprikmateriaal genoemd, opgeslagen. De opslag vindt de eerste maanden plaats in het betreffende regionale screeningslaboratorium. Daarna vindt de opslag voor de resterende periode plaats in een centraal archief van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu-referentielaboratorium.